|
Doorzoeken:
C09 - 27.04.2009
Mijn sloffen donderen over jouw macadam Rammelend rond ik de eerste bocht En tegen de tijd dat ik, net niet de rand rakend rakelings langs het lang scheurend omlaag scheer voel ik de wind die niet waait om mijn haren die niet kunnen wapperen onder mijn helm Maar iedere schelm zal toch iedere keer juichend onbuigzame paal voorbij klapperen vallen de velgen weer neer, weer neer suis ik, verguis ik maar kruis ik dat kutpaalstuk ruk ik mijn wagen de bocht uit, de looping in even gewichtloos en zinkend vertragen, toch joepelig hoepelend er weer uitknallend razend gevaarlijk dicht langs gouden middaglicht verder de banen langs door de chicane en dan, voor de gouden poort spring ik verrukt in de lucht en de vlucht voorbij schiet ik het rood over tover ik mij toch voor altijd blij gelukt, gelukt, gelukt: er slaat tweemaal klinkend edelmetaal: ere wie ere toekomt. Over terug | home |